In die kroniek beschrijft Thomas van Kempen de geschiedenis van het klooster van 1386 tot 1471, zijn sterfjaar.
Een onbekende broeder heeft de kroniek voortgezet tot 1477.
In de Kroniek wordt vooral het leven van de verschillende bewoners n.a.v. hun sterven beschreven. Zij worden als voorbeeld gesteld voor hen die zullen volgen. Er wordt beschreven waar de verschillende kloosterbewoners en ook buurtbewoners, naar status en functie worden begraven in de kloostergebouwen zelf maar ook op de begraafplaatsen die steeds verder werden uit gebreid. Bij begravingen van priesters wordt duidelijk beschreven wie naast wie ligt. De leken en buurtbewoners worden op de buiten begraafplaatsen te ruste gelegd.
Vanaf 1399 is er voor het eerst sprake van een gewijde begraafplaats.
De kroniek vertelt over de vele pestepidemieën en hoe b.v. één van de broeders zijn eigen pij dichtnaait voordat hij gaat sterven opdat zijn medebroeders niet hoeven te aanschouwen hoe de pest hem in zijn laatste uren aftakelt.
De Middeleeuwer leefde dicht bij- en met de dood, getuige de beschrijvingen. De dood was alom aanwezig. De priesters werden begraven in hun leefruimte; de verschillende pandgangen van het kloostergebouw, waar dagelijks doorheen gelopen werd op weg naar de werkruimtes, eetzaal of kapel.
De leken werden buiten begraven op het kerkhof
De pest wordt door Thomas beschreven als genadige gesel Gods opdat de mens zich niet te zeer aan het leven op aarde zou hechten maar zijn heil zou zoeken bij God in de hemel.
U bevindt zich hier:
De geschiedenis
Kroniek
